Voor u gelezen

Deze pagina biedt een overzicht van recente studies en belangrijke wetenschappelijke ontwikkelingen rond zwangerschapsdiabetes.


"Maternale glycemie en perinatale uitkomst: een continu risico."

"Behandeling van 'milde' zwangerschapsdiabetes voorkomt belangrijke complicaties!"

"Gezonde leefstijl halveert het diabetesrisico na zwangerschapsdiabetes."

"Na zwangerschapsdiabetes: 7.5 keer meer kans op type 2 diabetes."

"Eenvoudige herinneringsbrief: enorme impact op diabetesscreening na zwangerschapsdiabetes."

"Zwangerschapsdiabetes behandelen is nuttig: nieuwe studie"

"Bevorderen van diabetesscreening na zwangerschapsdiabetes bij Australische vrouwen: belang van postpartum advies en informatie."


--------------------------------------------------------------------------------------------

Maternale glycemie en perinatale uitkomst: een continu risico. 

REFERENTIE: HAPO Study Cooperative Research Group. Hyperglycemia and Adverse Pregnancy Outcomes (HAPO). N Engl J Med 2008;358:1991-2002.

Doel 

De HAPO studie had als doel een gevalideerd verband aan te tonen tussen de verschillende gradaties van glucose-intolerantie tijdens het derde zwangerschapstrimester en diverse zwangerschapsuitkomsten. Het was immers niet duidelijk of verhoogde glycemiewaarden zonder de diagnose van diabetes, geassocieerd zijn met een negatieve zwangerschapsuitkomst.

Methode

In dit onderzoek werden er in totaal 25.505 zwangeren uit 15 centra in negen landen geïncludeerd. De deelnemers kregen een 75 gram OGTT tussen de 24ste en 32ste week van de zwangerschap. De resultaten werden geblindeerd als de nuchtere bloedglucosewaarde <= 105 mg/dl en de 2-uurs waarden <= 200 mg/dl lagen.
Primaire uitkomsten waren:

  • geboortegewicht boven 90ste percentiel
  • primaire sectio
  • klinisch vastgestelde neonatale hypoglycemie
  • navelstrengbloed C-peptidewaarde boven 90ste percentiel (merker voor foetale hyperinsulinemie)

Secundaire uitkomsten waren: bevalling vóór 37 weken zwangerschap, schouderdystocie of andere geboortetraumata, intensieve neonatale zorg, hyperbilirubinemie en pre-eclampsie.

De maternale glycemiedata werden in 7 categorieën (laagste: < 75 mg/dl, hoogste = 178 mg/dl) opgesplitst, en de frequentie van de uitkomsten werden voor elke categorie berekend. De bloedglucosewaarden werden daarnaast ook als continue variabele geanalyseerd. Voor de verschillende zwangerschapsuitkomsten werden gecorrigeerde odds ratio's (OR) berekend, geassocieerd met een verhoging van 1SD van de nuchtere plasmaglucosewaarde (6.9 mg/dl), de 1-uurs waarde (30.9 mg/dll) en de 2-uurs waarde (23.5 mg/dl).

Resultaten

Voor de uiteindelijke analyse konden de gegevens van 23316 zwangeren worden gebruikt.
De resultaten van de HAPO studie wijzen op een sterk continu verband - zonder duidelijke drempelwaarde - tussen de maternale glycemieparameters en de primaire uitkomsten zoals macrosomie (geboortegewicht boven de 90ste percentiel) en foetale hyperinsulinemie (navelstrengbloed C-peptide boven de 90ste percentiel). Iets zwakkere maar significante associaties waren er tussen de glucosewaarden en primaire sectio of neonatale glycemie. Tenslotte vond men ook een verband tussen de bloedglucosewaarden van de moeder en elk van de 5 secundaire uitkomsten, waarbij pre-eclampsie het duidelijkst naar voor kwam. De meeste associaties bleven overeind na correctie voor mogelijke confounders. Geen van de gebruikte glycemieparameters (nuchter, 1-uurs of 2-uurswaarde) was superieur ten opzichte van de andere.

Tabel: Verband tussen maternale glycemie en diverse uitkomsten in de HAPO studie (gecorrigeerde OR voor stijging van de glycemiewaarden met 1 standaarddeviatie)

UITKOMST PLASMAGLUCOSEWAARDE (OR) 
Primair Nuchter 1-uurs 2-uurs
Geboortegewicht > 90ste percentiel 1.38 1.46 1.38
Primaire sectio 1.11 1.10 1.08
Neonatale hypoglycemie 1.08 1.13 1.10
Navelstreng C-peptide > 90ste percentiel  1.55 1.46 1.37
Secundair
Premature bevalling (< 37 w) 1.05 1.18 1.16
Schouderdystocie of geboortetrauma 1.18 1.23 1.22
Intensieve neonatale zorg 0.99 1.07 1.09
Hyperbilirubinemie 1.00 1.11 1.08
Pre-eclampsie 1.21 1.28 1.28

Conclusie:

De maternale glycemie tijdens het derde zwangerschapstrimester is - zelfs onder de drempelwaarden voor diabetes - sterk geassocieerd met een hoog geboortegewicht en verhoogde navelstrengbloed C-peptidewaarden (foetale hyperinsulinemie). Er is daarnaast een duidelijke associatie met verscheidene perinatale verwikkelingen.

 

Behandeling van 'milde' zwangerschapsdiabetes voorkomt belangrijke complicaties!

REFERENTIE: Crowther CA, Hiller JE, Moss JR, McPhee AJ, Jeffries WD, Robinson JS [Australian Carbohydrate Intolerance Study in Pregnant Women (ACHOIS) Trial Group]. Effect of treatment of gestational diabetes mellitus on pregnancy outcomes. N Engl J Med 2005; 352: 2477-86.

Doel

Met de ACHOIS studie werd specifiek een antwoord gezocht op de vraag of een adequate behandeling van (milde) zwangerschapsdiabetes de frequentie van perinatale complicaties kan reduceren.

Methode

ACHOIS was een multicentrische, gerandomiseerde en gecontroleerde studie. Zwangere vrouwen kregen een 75 gram orale glucosetolerantietest tussen 24 en 34 weken van de zwangerschap, na een positieve 50 g challenge test of indien risicofactoren aanwezig waren. Wie een nuchtere glycemiewaarde < 140 mg/dl had en een 2-uurs glycemie 140-200 mg/dl, kwam in aanmerking voor verdere randomisatie. Vrouwen in de controlegroep kregen de mededeling dat ze geen zwangerschapsdiabetes hadden. De interventiegroep ontving individueel dieetadvies, educatie tot zelfcontrole en behandeling met insuline indien de streefwaarden (< 100 mg/dl nuchter en < 126 mg/dl 2 uur postprandiaal) niet werden gehaald. Dit stemde in feite overeen met een beleid waarbij screening en behandeling van zwangerschapsdiabetes routinematig worden aangeboden.

De volgende uitkomsten werden onderzocht:
Primaire eindpunten:

  • Kind: ernstige perinatale complicaties (sterfte, schouderdystocie, botbreuk, en perifere zenuwschade), opname op de afdeling neonatologie en geelzucht met noodzaak tot UV-behandeling.
  • Moeder: noodzaak voor inductie van de arbeid of keizersnede, ervaren gezondheidstoestand (SF-36), angst, depressie en gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven.

Secundaire eindpunten:

  • Kind: elke component van het samengestelde primaire eindpunt, geboorteleeftijd, geboortegewicht, en andere gezondheidsuitkomsten.
  • Moeder: aantal prenatale consultaties, geboortewijze, gewichtstoename tijdens de zwangerschap, aantal ziekenhuisopnames antenataal, en zwangerschapshypertensie of andere complicaties.

Resultaten

Er werden 1000 vrouwen in de studie opgenomen, waarvan 490 na randomisatie werden toegewezen aan de interventiegroep en 510 aan de groep die routinezorg ontving. Uitkomstanalyses werden gecorrigeerd voor leeftijd, etniciteit en pariteit.
De frequentie van ernstige perinatale complicaties in de interventiegroep lag significant lager dan in de controlegroep (1 % vs. 4 %).
Ten opzichte van de controlegroep werden meer kinderen uit de interventiegroep opgenomen op de afdeling neonatologie (71 % vs. 61 %). Er was geen verschil tussen beide groepen voor geelzucht met noodzaak tot UV-therapie. Wat de uitkomst voor de moeders betreft, kwam inductie van de arbeid meer voor bij de behandelingsgroep versus de routinezorg (39 % vs. 29 %). De frequenties voor keizersnede waren daarentegen vergelijkbaar. Wat de kwaliteit van leven betreft, bleek de interventie eveneens gunstig ten opzichte van de routinezorg. Minder vrouwen in de interventiegroep hadden 3 maand na de bevalling een klinisch significante depressiescore in vergelijking met de controlegroep (8 % vs. 17 %). Er werd tenslotte voor de angstscore geen verschil gezien tussen beide groepen.
Op vlak van de secundaire uitkomsten werd voor geen enkele van de ernstige perinatale complicaties afzonderlijk een significant verschil bereikt. De kinderen in de interventiegroep hadden wel een lager geboortegewicht en geboorteleeftijd. Minderen kinderen in de interventie hadden een hoog gewicht voor hun geboorteleeftijd of macrosomie (geboortegewicht > 4 kg, 10 % vs. 21 %).
De vrouwen in de interventiegroep bezochten het ziekenhuis minder frequent, maar gingen vaker langs bij de arts, diëtiste en diabeteseducator. Ze kregen ook veel vaker insulinetherapie (20 % vs. 3 %). Hun gewichtstoename tijdens de zwangerschap was lager ten opzichte van de controlegroep. Er werd geen verschil gezien in het aantal antenatale ziekenhuisopnames. In de interventiegroep hadden de vrouwen minder risico op pre-eclampsie (12 vs. 18 %).

Conclusie:

Het systematisch opsporen en adequaat behandelen van zwangerschapsdiabetes - door individueel dieetadvies, glycemiezelfcontrole en insulinetherapie indien nodig - vermindert de frequentie van ernstige perinatale complicaties.
Er moeten 34 vrouwen met zwangerschapsdiabetes worden behandeld om bij 1 kind een ernstige complicatie te voorkomen. Behandeling van zwangerschapsdiabetes heeft ook een gunstig effect op de kwaliteit van leven voor de moeder in de postpartumperiode.


Gezonde leefstijl halveert het diabetesrisico na zwangerschapsdiabetes.

REFERENTIE: Ratner RE, Cristophi CA, Metzger BE, et al. (The Diabetes Prevention Program Research Group). Reduction in the incidence of type 2 diabetes with lifestyle intervention or metformin. N Engl J Med 2002;346:393-403

Doel

 Deze studie is een subanalyse van de DPP (Diabetes Prevention Program Study), waarbij men zich de vraag stelde of interventies met leefstijladvies (of metformine) bij vrouwen met vroegere zwangerschapsdiabetes even effectief zijn als bij vrouwen zonder deze voorgeschiedenis.

Methode

In de DPP studie werden 3234 individuen opgenomen met een gestoorde glucosetolerantie en overgewicht, en dus een hoog risico op het ontwikkelen van diabetes. Er waren 2190 vrouwelijke deelnemers, waarvan 350 (zelf) een voorgeschiedenis van zwangerschapsdiabetes (ZDM) rapporteerden. 1416 vrouwen zonder ZDM antecendenten hadden tenminste 1 zwangerschap met levende geboorte en fungeerden als referentie. Van de 350 vrouwen met een voorgeschiedenis van ZDM, werden 122 aan de placebogroep toegewezen, 111 kregen metformine en 117 ontvingen intensieve leefstijltherapie. Van de vrouwen zonder voorgeschiedenis kwamen 487 in de controlegroep, 464 kregen metformine en 465 intensief leefstijladvies.
Het effect van de verschillende behandelingsgroepen op de ontwikkeling van diabetes werd bestudeerd via een 'overlevingscurve' en vergeleken voor de 2 subgroepen (al dan niet gerapporteerde ZDM).

Resultaten

De resultaten van de DPP voor de hele cohorte werden eerder gepubliceerd. Vergeleken met een controlegroep verminderde de intensieve leefstijltherapie (gezonde voeding met vetbeperking, 150 min matig intensieve beweging per week, 7 % gewichtsverlies) de diabetesincidentie met 58 % (metformine gaf 31 % reductie).  De basiskarakteristieken van vrouwen met vroegere ZDM (index zwangerschap gemiddeld 12 jaar geleden), waren vergelijkbaar met die van vrouwen zonder ZDM, behalve dat de eerstgenoemde subgroep een stuk jonger was (43.0 vs. 51.5 jaar). Hiervoor werd gecorrigeerd in de analyses.
Na 3 jaar bedroeg de cumulatieve diabetesincidentie in de placebogroep 25.7 % voor de ZDM-negatieve vrouwen, versus 38.4 % bij gerapporteerde ZDM. Dit betekent een zeer snelle ziekte- progressie wanneer geen interventie gebeurt bij deze doelgroep.
De leefstijltherapie resulteerde in een vergelijkbare risicoreductie, met of zonder ZDM voorgeschiedenis (53.4 vs. 49.2 %). Nochtans hadden vrouwen met vroegere ZDM in de leefstijlinterventiegroep het veel moeilijker om een blijvend gewichtsverlies te bereiken over 3 jaar (na 3 j: 1.6 kg vs. 4 kg). Metformine had echter enkel een significant effect in de groep met ZDM voorgeschiedenis (50.4 % , p < 0.05 vs. 14.4 %).

Conclusie

Leefstijlinterventies zijn zeer effectief om diabetes te voorkomen bij vrouwen met gestoorde glucosetolerantie en vroegere zwangerschapsdiabetes. Een dergelijk zorgaanbod kan een enorme klinische impact hebben: slechts 5 tot 6 van deze vrouwen moeten gedurende 3 jaar intensief worden opgevolgd om 1 diagnose van diabetes te voorkomen.

 

Na zwangerschapsdiabetes: 7.5 keer meer kans op type 2 diabetes.

REFERENTIE: Bellamy L, Casas JP, Hingorani AD, Williams D. Type 2 diabetes mellitus after gestational diabetes: a systematic review and meta-analysis. Lancet 2009; 373: 1773-9.

Doel

Na zwangerschapsdiabetes hebben vrouwen een veel hogere kans om type 2 diabetes te ontwikkelen, maar de gerapporteerde risico's variëren. Dit onderzoek had tot doel om om het diabetesrisico na zwangerschapsdiabetes beter te kwantificeren.

Methode

De auteurs identificeerden alle relevante cohortstudies tussen 1960 en 2009, waarin zwangere vrouwen met en zonder zwangerschapsdiabetes tenminste 6 weken na de bevalling werden onderzocht op type 2 diabetes via een OGTT en/of nuchtere glycemie. Uiteindelijk baseerde men zich op een meta-analyse van 20 geselecteerde studies die samen 675 455 vrouwen includeerden en 10 859 diagnoses van type 2 diabetes.
De heterogeneïteit van het effect werd onderzocht door stratificatie volgens studiekarakteristieken (etnische origine, opvolgingsduur, studiedesign, aantal gevallen van type 2 diabetes), patiëntenkarakteristieken (leeftijd moeder, BMI index zwangerschap/ bij opvolging) en diagnostische criteria (type 2 diabetes, zwangerschapsdiabetes).

Resultaten

Er werd een globaal relatief risico (RR) van 7.43 berekend voor de conversie van zwangerschapsdiabetes naar type 2 diabetes. De effectschattingen waren vrij consistent tussen de verschillende bestudeerde subgroepen. De analyse volgens het aantal incidente gevallen van type 2 diabetes in de studie, gaf wel wat heterogeneïteit (afkomstig van 1 grote studie) maar de gebruikte diagnostische criteria hadden blijkbaar weinig invloed.

Conclusie

Een meta-analyse toont aan dat vrouwen met zwangerschapsdiabetes een toekomstig risico hebben op type 2 diabetes dat meer dan 7 keer hoger ligt dan een controlegroep van zwangere vrouwen. Dit is een belangrijke incentive voor deze vrouwen om zich na de bevalling regelmatig te laten screenen en opvolgen.

 

Eenvoudige herinneringsbrief: enorme impact op diabetesscreening na zwangerschapsdiabetes

REFERENTIE: Clark HD, Graham ID, Karovitch A, Keely EJ. Do postal reminders increase postpartum screening of diabetes mellitus in women with gestational diabetes mellitus? A randomized controlled trial. Am J Obstet Gynecol 2009;200:634.e1-7.  

Doel

In deze studie wordt onderzocht of men bij vrouwen met zwangerschapsdiabetes de aanbevolen diabetesscreening kan bevorderen via een herinneringsbrief naar de vrouw en/of haar huisarts. Bij deze doelgroep werd de effectiviteit van een dergelijke maatregel niet eerder bestudeerd.

Methode

Dit was een gerandomiseerde gecontroleerde studie met 2x2 factorieel design, uitgevoerd in een universitaire ziekenhuissetting (Ottawa, Canada). Vrouwen die tussen augustus 2002 en maart 2005 werden behandeld voor zwangerschapsdiabetes, werden opgenomen in de studie indien ze tijdens de zwangerschap een geïnformeerde toestemming hadden gegeven en voldeden aan een aantal praktische inclusiecriteria.
Er werden 223 patiënten weerhouden die volgens 4 groepen werden gerandomiseerd:

  1. herinneringen naar huisarts én vrouw
  2. herinneringen enkel naar de huisarts
  3. herinnering enkel naar de vrouw
  4. geen enkele herinnering

In de herinneringsbrief voor de arts werd gevraagd de vrouw postpartum te screenen via een orale glucosetolerantietest. In de brief voor de vrouw werd gewezen op het belang van de screening en er werd ook een aanvraagformulier voor een orale glucosetolerantietest (OGTT) bijgevoegd. De brieven werden 1 maal verstuurd, ongeveer 3 maanden na de bevallingsdatum.
De primaire uitkomstmaat was het aantal patiënten met zwangerschapsdiabetes dat gedurende het eerste jaar na de bevalling werd gescreend via een OGTT. Secundaire uitkomst was het percentage vrouwen dat via een andere test werd gescreend.
Om te bepalen of er een screening plaatsvond, ging men uit van de screeningsresultaten of werden patiënten en/of artsen achteraf gecontacteerd (telefonisch, per brief en fax). Verder werden een aantal parameters verzameld die geassocieerd zijn met de ontwikkeling van type 2 diabetes.
De effecten van de interventies en hun interactie werden bestudeerd via logistische regressie.

Resultaten

De proportie van de vrouwen die werden gescreend via een OGTT nam significant toe door de interventies: 60.5 % in de groep met beide herinneringen, 55.6 % wanneer enkel de vrouw een herinnering kreeg, 51.6 % bij een herinnering naar de arts en 14.3 % wanneer geen herinneringen werden gestuurd. Er was ook een duidelijk effect van de interventies op de nuchtere screening (respectievelijk 63 %, 71 %, 67.7 % en 40 %). Na correctie voor een aantal significant covariabelen (macrosomie, primigravida,.) was er een significante associatie tussen de interventiegroep en screening met OR 's van respectievelijk 5.2, 8.7, 8.4 voor de interventie via patiënt en arts, enkel patiënt of enkel arts, ten opzichte van de controle (geen herinneringen). Ook voor de secundaire uitkomsten was er een significante associatie. Hoewel multipele interventies vaak effectiever blijken dan één geïsoleerde actie, gaf het toevoegen van een tweede soort herinnering wanneer de patiënt of arts al een herinnering kregen, geen extra effect op de screening.

Conclusie

Een eenvoudige en goedkope interventie zoals het sturen van een herinneringsbrief naar patiënt, arts, of beide, heeft een zeer duidelijk effect op de postpartum diabetesscreening na zwangerschapsdiabetes (x 3 tot x 4). Het is dus belangrijk om dergelijke gestructureerde maatregelen in de praktijk te implementeren, gezien 'normale' gerapporteerde screeningspercentages erg laag zijn.

 

Zwangerschapsdiabetes behandelen is nuttig: nieuwe studie

REFERENTIE: Landon MB, Spong CY, Thom E et al. A Multicenter Randomized Trial of Treatment of Mild Gestational Diabetes. N Engl J Med 2009;361:1339-48.

Doel

Deze studie had tot doel na te gaan of het behandelen van vrouwen met milde zwangerschapsdiabetes perinatale complicaties kan reduceren.

Methode

Zwangere vrouwen kregen een 50 g challenge test tussen 24 en 30 weken van de zwangerschap. Wie een één-uurswaarde had tussen de 135 en 200 mg/dL kwam in aanmerking voor een 100 g glucose tolerantie test. Milde zwangerschapsdiabetes werd gedefinieerd als een nuchtere glycemiewaarde onder de 95 mg/dL werd vastgesteld en twee van de volgende drie waarden overschreden werden: 1-uurswaarde = 180 mg/dL; 2-uurswaarde = 155 mg/dL; 3-uurswaarde 140 mg/dL. Vrouwen die voldeden aan deze criteria werden at random toegewezen aan de interventiegroep of de controlegroep. De interventie bestond uit individueel dieetadvies, educatie tot zelfcontrole en behandeling met insuline indien nodig. De controlegroep ontving gewone prenatale zorg.

Resultaten

Een totaal van 958 vrouwen werd uiteindelijk geselecteerd en gerandomiseerd (485 in de interventiegroep en 473 in de controlegroep). Er waren geen significante verschillen voor de primaire uitkomsten (perinatale mortaliteit, verwikkelingen t.g.v. maternele hyperglycemie) tussen de verschillende groepen. Echter waren er wel significante verschillen voor sommige secundaire uitkomsten: zo bleek het gemiddelde geboortegewicht en het geboortegewicht boven de 4000 g significant lager in de interventiegroep in vergelijking met de controlegroep. Vrouwen in de interventiegroep moesten significant minder een keizersnede ondergaan dan de vrouwen in de controlegroep. Ook was de frequentie van schouderdystocie, pre-eclampsie en hypertensie tijdens de zwangerschap significant lager in de interventiegroep.

Conclusie

Ook deze studie heeft de voordelen van het behandelen van milde zwangerschapsdiabetes kunnen aantonen. Hoewel er geen significant verschil was voor de primaire uitkomsten, bleek een behandeling wel te leiden tot een daling van het risico op macrosomie, schouderdystocie, keizersnede en pre-eclampsie.

 

Bevorderen van diabetesscreening na zwangerschapsdiabetes bij Australische vrouwen: belang van postpartum advies en informatie.

REFERENTIE: Morrison MK, Collins CE, Lowe JM. Postnatal testing for diabetes in Australian women following gestational diabetes mellitus. Aust N Z J Obstet Gynaecol 2009;49:494-8.

Doel

Studies hebben aangegeven dat de proportie vrouwen dat na zwangerschapsdiabetes een bloedglucosescreening laat uitvoeren, in het algemeen zeer laag is. Er zijn echter weinig gegevens beschikbaar over deze postnatale follow-up en voorspellende factoren hiervoor bij Australische vrouwen.
Het doel van deze studie was dan ook om de mate waarin Australische vrouwen een bloedglucosescreening laten uitvoeren te beschrijven en te zoeken naar factoren die hiermee geassocieerd zijn.

Methode

Deze studie was een cross-sectioneel onderzoek bij 1372 Australische vrouwen die gediagnosticeerd waren met zwangerschapsdiabetes tussen 2003 en 2005. De deelnemers werden gerekruteerd uit de NDSS (National Diabetes Service Scheme) databank.
De vrouwen die in aanmerking kwamen, kregen een vragenlijst opgestuurd met 69 (voornamelijk) gesloten vragen die ze zelf schriftelijk moesten invullen.
Er werd een vergelijking gemaakt tussen de vrouwen die deze vragenlijst hadden ingevuld en de vrouwen die deze vragenlijst niet invulden of die hadden aangeduid dat ze niet gecontacteerd wilden worden voor verder onderzoek.
De primaire uitkomstvariabele was het feit of de vrouwen een postnatale OGTT hadden laten uitvoeren op 6-8 weken na de bevalling.

Resultaten

73.2 % van de vrouwen die geantwoord hadden, had een postnatale bloedglucosescreening laten uitvoeren. 60 % van de vrouwen kreeg één of andere bloedglucosetest 6-8 weken na de bevalling; slechts bij 27.4 % ging het om een OGTT.
Uit de resultaten bleek dat vrouwen vaker een OGTT lieten uitvoeren op 6-8 weken na de bevalling indien ze na de bevalling schriftelijke informatie hadden ontvangen (OR 1.35) of indien ze geïndividualiseerd advies kregen van een zorgverlener over hoe ze het risico op type 2 diabetes konden te verminderen (OR 1.41). Als vrouwen informatie en advies kregen over diabetes zorgde dit er immers voor dat hun perceptie over een adequate bloedglucosescreening na de bevalling veranderde.
Vooral voor vrouwen met een laag opleidingsniveau bleek gespecialiseerd advies te helpen om een follow-up test te laten uitvoeren.
Uit de resultaten bleek ook dat vroegere zwangerschapsdiabetes niet geassocieerd was met het laten uitvoeren van een OGTT 6-8 weken na de bevalling. Ook vroegere ervaringen met diabetes of familiale diabetes bleek geen motiverende factor te zijn om na de bevalling een bloedglucosescreening te laten uitvoeren.
Tenslotte vermindert de kans dat een vrouw zich laat testen met de leeftijd. Elke verhoging van 5 jaar van de leeftijd, vermindert de waarschijnlijkheid dat een vrouw zich laat testen met 17 %.  

Conclusie

Geïndividualiseerde follow-up door zorgverleners (zoals een diabetesteam) en het voorzien van schriftelijke informatie voor vrouwen met zwangerschapsdiabetes, zal de respons op een postnatale bloedglucosescreening bevorderen.
Dit wijst op het belang van een consistent postnataal advies van zorgverleners en suggereert een gestructureerde follow-up met als minimum het verstrekken van schriftelijke informatie en herinneringen voor een postnatale bloedglucosescreening.