Woordenlijst

Hier kun je een alfabetische geordende lijst vinden met termen of begrippen die je op deze site kan ontmoeten.

----------------------------------------------------------------------------------------------
A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z
----------------------------------------------------------------------------------------------


- A -


acute complicatie (verwikkeling)
snel optredende verwikkeling van een ziekte. Bij diabetes kunnen de volgende acute verwikkelingen voorkomen: hypoglycemie, hyperglycemie.

alvleesklier: zie pancreas.

antidiabetica:
geneesmiddelen die de bloedglucose verlagen. De geneesmiddelen in tabletvorm die worden gebruikt bij de behandeling van type 2 diabetes  noemt men orale antidiabetica.

<< Naar boven 

 - B -


bètacellen:
de cellen van de pancreas of alvleesklier die instaan voor de aanmaak van insuline.

bloedsuiker (ook bloedglucose genoemd): zie glycemie

bloedsuikerwaarden (ook bloedglucosewaarden genoemd): zie glycemie

body-mass index (BMI):
maat voor de verhouding tussen je lengte en je gewicht. Je berekent dit door je gewicht (in kilogram) te delen door je lengte (in meter) in het kwadraat. Zie ook overgewicht en obesitas.

buikomtrek:
maat voor de aanwezigheid van 'schadelijk' buikvet. Men kan de buikomtrek eenvoudig met een meetlint meten. Het geeft een betere indicatie van je gezondheidsrisico dan enkel de BMI, omdat het rekening houdt met de verdeling van het vet in het lichaam.

<< Naar boven 

 - C -


cardiovasculair:
met betrekking tot hart en bloedvaten. Cardiovasculaire verwikkelingen bij diabetes zijn een verhoogde kans op hartinfarct en beroerte.

challengetest (synoniem glucose challenge test of GCT):
veelgebruikte opsporingstest voor zwangerschapsdiabetes waarbij men een 50 gram glucose-oplossing opdrinkt en na 60 min bloed wordt geprikt.

chronische complicatie (verwikkeling):
verwikkeling van een ziekte, die pas na lange tijd ontstaat. De meest voorkomende chronische verwikkelingen van diabetes zijn hart- en vaataandoeningen, neuropathie (zenuwaantasting), retinopathie (netvliesaantasting) en nefropathie (nierlijden).

complicatie:
verwikkeling van een ziekte. Bij diabetes onderscheidt men acute en chronische complicaties.

 << Naar boven

- D -


diabetes:
een aandoening, gekenmerkt door hoge bloedsuikerspiegels. De oorzaak is een onvoldoende werking van het hormoon insuline, hetzij doordat de pancreas niet voldoende insuline kan maken, hetzij doordat het lichaam niet voldoende gevoelig is aan de werking van insuline. Er zijn verschillende vormen van diabetes, waaronder type 1, type 2  en zwangerschapsdiabetes.

diabeteseducator:
een zorgverlener (vaak verpleegkundige) die specifiek is opgeleid om mensen met diabetes te helpen om  zo zelfstandig mogelijk te leren leven met hun chronische aandoening. De educator doet dit door een praktische ondersteuning van de behandeling (aanleren technieken), door het ziekte-inzicht te bevorderen en door verwikkelingen te helpen voorkomen.

diabetesteam:
benaming die men geeft aan een groep van zorgverleners in het ziekenhuis (diabetoloog, diabeteseducator, diëtist(e)..) die je begeleiden bij de verschillende aspecten van de diabetesbehandeling.

diabetesvoet:
dit is een verzamelnaam voor voetafwijkingen die kunnen optreden ten gevolge van diabetes. De belangrijkste oorzaken zijn de aantasting van de zenuwbanen en vaatafwijkingen. Hierdoor ontstaan een verminderd gevoel en kleine wondjes die slecht genezen. Onverzorgd kan een diabetische voetwonde aanleiding geven tot amputatie.

diabetoloog:
arts die is gespecialiseerd in de behandeling van mensen met diabetes.

<< Naar boven 

- E -


educatie:
betekent letterlijk 'opvoeding'. Om de diabetesbehandeling in het dagelijkse leven in te passen moet iemand met diabetes heel wat kennis en vaardigheden aanleren.

endocrinoloog:
specialist op het gebied van ziekten van endocriene klieren en/of hun hormoonfuncties.

<< Naar boven 

- G -


geelzucht: 
het optreden van een gele huid en oogwit, vaak door een verminderde leverwerking. 
-, neonatale: geelzucht die kan ontstaan door de onrijpheid van de lever van de baby.  Afvalproducten zoals bilirubine worden onvoldoende afgebroken, hopen op in het bloed en geven de baby een gele huid. Dit kan in het ziekenhuis worden behandeld met een speciale UV-lamp.

glucose:
een enkelvoudige suiker, die in het lichaam gebruikt wordt als brandstof. Glucose wordt geproduceerd bij de vertering van voedsel, meer bepaald door het verwerken van koolhydraten. Het wordt via het bloed naar de lichaamscellen gebracht. De hoeveelheid glucose in het bloed noemt men bloedsuikerspiegel of glycemie.

glucosemeter:
klein toestel waarmee men de bloedsuikerspiegel kan meten. Men prikt in de vinger om een druppel bloed te verkrijgen. De druppel wordt op een teststrookje of 'strip' aangebracht, dat in de meter geschoven wordt. Het resultaat verschijnt na enkele seconden.

gestoorde glycemie(waarden):
men spreekt van een gestoorde glycemie wanneer de bloedglucose afwijkt van de normale waarden (meestal te hoog).

glycemie (synoniem bloedsuikerwaarde of bloedglucose):
de hoeveelheid suiker (glucose) in het bloed (ook soms bloedsuikerspiegel genoemd). Deze hoeveelheid wordt in ons land uitgedrukt als een waarde in mg/dl (milligram per deciliter).

<< Naar boven 

 - H -


hart- en vaatziekten:
Door diabetes kan schade ontstaan aan de grote bloedvaten (slagaders) rond het hart, die het bloed naar het lichaam voeren. Cholesterol stapelt zich op waar de vaten zijn aangetast en geleidelijk raken deze verstopt. Dit kan leiden tot een hartaanval, een beroerte, hoge bloeddruk en een slechte circulatie in de armen, benen en het hoofd.

hormoon:
stof die op één plaats in het lichaam wordt afgescheiden en op een andere plaats een werking uitoefent.

hyperglycemie:
een te hoge bloedsuikerspiegel (meestal hoger dan 180 mg/dl). Wordt vaak kortweg "hyper" genoemd. Kan klachten veroorzaken van frequent urineren, dorst en gewichtsverlies.

hypoglycemie:
te lage bloedsuikerspiegel (meestal lager dan 70 mg/dl). Wordt vaak kortweg "hypo" genoemd. Kan de volgende symptomen veroorzaken: flauwtegevoel, zweten, hartkloppingen, beven, tintelingen (vaak rond mond), en gedragsveranderingen (slecht humeur). Wanneer dit niet behandeld wordt door extra suiker in te nemen riskeert men uiteindelijk het bewustzijn te verliezen.

<< Naar boven

- I -


insuline:
hormoon dat gemaakt wordt door de pancreas en dat het lichaam helpt om suiker (glucose) te verbranden. Men kan het voorstellen als een sleutel, die de deur opent om glucose in de lichaamscellen binnen te laten, waar het als brandstof kan gebruikt worden.

insulineresistentie (synoniem insulineweerstandigheid):
toestand waarbij het lichaam niet goed reageert op insuline. Een gezonde pancreas kan dit opvangen door meer insuline vrij te stellen. Wanneer de pancreas niet meer in staat is om de insulineproductie voldoende op te drijven ontstaat type 2 diabetes (of tijdens de zwangerschap, zwangerschapsdiabetes). Insulineresistentie op zich, zelfs zonder diabetes, kan ongunstige gevolgen hebben voor de gezondheid. Het speelt onder andere een rol bij het ontstaan van hoge bloeddruk en stoornissen in de bloedvetten. Overgewicht is de meest frequente oorzaak van insulineresistentie.

<< Naar boven

- M -


macrosomie (synoniem 'reuzengroei'):
te zware baby, te hoog geboortegewicht in vergelijking met het gemiddelde (> 4000 g); dit treedt vaker op ten gevolge van (zwangerschaps)diabetes bij de moeder. De hoge bloedglucosewaarden kunnen namelijk leiden tot een te sterke groei van de foetus met een grotere vetopstapeling, een grotere placenta (moederkoek) en meer vruchtwater tot gevolg.

<< Naar boven

-


nefropathie:
nieraantasting door diabetes. De eerste uiting is het verschijnen van een kleine hoeveelheid eiwit in de urine (microalbuminurie). Doorgaans kan men in dit stadium verdere achteruitgang tegengaan door goede diabetesregeling, behandeling van hoge bloeddruk en verminderen van eiwitten in de voeding. Vergevorderde nieraantasting is een ernstige diabetesverwikkeling, waarvoor uiteindelijk nierdialyse of niertransplantatie kan nodig zijn. (zie ook nierinsufficiëntie)

neonatale hypoglycemie:
hoge bloedglucosewaarden van de moeder tijdens de bevalling komen via de moederkoek bij de baby terecht. Hierdoor wordt de pancreas van de baby extra gestimuleerd om insuline af te scheiden. Bij de bevalling valt de verhoogde bloedglucosetoevoer van de moeder weg, maar blijft de pancreas van de baby nog grote hoeveelheden insuline aanmaken. Dit kan leiden tot hypoglycemie, of een tekort aan glucose in het bloed.

neuropathie:
aantasting van de zenuwbanen door diabetes. Men maakt een onderscheid tussen sensibele neuropathie (de meest frequente vorm), waarbij de gevoelszenuwen worden aangetast, motorische neuropathie, waarbij de bewegingszenuwen worden aangetast, en autonome neuropathie, waarbij de zenuwen van de inwendige organen worden aangetast (met bijvoorbeeld vertraagde maaglediging tot gevolg). Sensibele neuropathie verhoogt het risico op voetwonden.

nierinsufficiëntie:
minder goede werking van de nieren, waarbij de afvalstoffen van het lichaam onvoldoende uitgefilterd worden. Wanneer de nierwerking zodanig verslechtert dat een behandeling met een kunstnier (dialyse) nodig is, spreekt men van terminale nierinsufficiëntie.

nuchter:
dit betekent dat men een bepaalde periode (nacht) niets gegeten of gedronken mag hebben.

nuchtere bloedglucose (synoniem nuchtere glycemie):
bloedglucosewaarde nadat iemand een nacht niets gegeten of gedronken heeft. Een nuchtere bloedglucosebepaling wordt gebruikt om diabetes vast te stellen.

<< Naar boven

- O -


obesitas (synoniem zwaarlijvigheid):
men spreekt van obesitas bij een BMI van 30 of meer. 

orale antidiabetica:
tabletten die via de mond worden ingenomen voor de behandeling van type 2 diabetes. Ze werken door de pancreas meer insuline te doen afscheiden of het insuline beter te laten werken (aanpakken van insulineresistentie).

orale glucosetolerantietest:
vaak afgekort als OGTT. Dit is een diagnostische test op diabetes (in feite enkel bij de diagnose van zwangerschapsdiabetes gebruikt). Deze test wordt in nuchtere toestand afgenomen. Na het drinken van een suikeroplossing worden verschillende bloedstalen genomen, waarbij men nagaat of het gemeten bloedglucosegehalte bepaalde waarden overschrijdt. 

overgewicht:
men spreekt van overgewicht bij een BMI tussen 25 en 30.

<< Naar boven

- P -


pancreas (synoniem alvleesklier):
orgaan dat zich achter de maag bevindt. De pancreas staat enerzijds in voor de vertering van voedingsbestanddelen in de darm, en anderzijds voor de aanmaak van hormonen (insuline, glucagon), die de verbranding van deze voedingstoffen in het lichaam regelen. De cellen die de hormonen maken worden bètacellen genoemd en liggen in groepjes, de 'eilandjes van Langerhans'. 

preventie:
het voorkómen van een ziekte of aandoening of het verergeren ervan.

<< Naar boven 

- R-


retinopathie:
netvliesaantasting door diabetes. 1. Bij de lichtste vorm van retinopathie, backgroundretinopathie genoemd ('achtergrondretinopathie'), lekt er vocht door de wand van de bloedvaatjes van het netvlies. Dit veroorzaakt meestal geen achteruitgang van het zicht. 2. Proliferatieve retinopathie is ernstiger. Hierbij treedt er een woekering op van nieuwe bloedvaten, die van slechte kwaliteit zijn. Ze bloeden gemakkelijk en veroorzaken littekenvorming. Hierdoor kan het zicht achteruitgaan. De woekering van deze bloedvaten kan bestreden worden met laserbehandeling.

<< Naar boven

- S -


screening:
het opsporen van een ziekte of aandoening met het doel een geschikte behandeling in te stellen.

<< Naar boven  

- T -


type 1 diabetes (vroeger insulineafhankelijke diabetes, of IDDM of juveniele diabetes genoemd):
een vorm van diabetes die meestal vóór de leeftijd van 40 jaar begint. Wordt veroorzaakt door een aanval van het immuunsysteem op de bètacellen van de pancreas, waardoor de productie van insuline wegvalt. Mensen met type 1 diabetes hebben vanaf de diagnose insulinebehandeling nodig.

type 2 diabetes (vroeger niet-insulineafhankelijke diabetes, of NIDDM, of ouderdomsdiabetes genoemd):
een vorm van diabetes die meestal na de leeftijd van 40 jaar ontstaat. Type 2 diabetes komt voor bij 90 % van de diabetespatiënten. De meeste mensen met  type 2 diabetes hebben overgewicht en insulineresistentie. Vaak kan de bloedglucose onder controle gebracht worden door gezonde voeding en voldoende lichaamsbeweging. Soms moet men bijkomend gebruik maken van orale antidiabetica of wanneer de werking van de pancreas verder achteruitgaat, insuline. Type 2 diabetes wordt in hoofdzaak opgevolgd door de huisarts, tenzij er een complexe insulinebehandeling nodig is.

<< Naar boven

- V -


verwikkeling (synoniem complicatie):
bijkomend probleem dat (plots) optreedt ten gevolge van een bepaalde ziekte/aandoening of een bepaalde toestand (bijv. zwangerschap).

verzadigde vetten:
dit zijn de zogenaamde slechte vetten, ze zorgen voor een hoge bloedcholesterol en geven aanleiding tot hart- en vaataandoeningen. Je vindt ze vooral in dierlijke producten.

<< Naar boven

- Z -


zelfcontrole (vaak glycemiezelfcontrole of zelfmonitoring genoemd):
zelfcontrole van de bloedsuikerspiegel gebeurt met behulp van een glucosemeter. De metingen geven inzicht in de effecten van lichaamsbeweging, voeding, stress en andere omstandigheden op de bloedglucosewaarden. Bij insulinebehandeling wordt het bloedsuikergehalte regelmatig gemeten. Aan de hand van de cijfers kan men de insulinedosissen aanpassen. Door zelfcontrole kan men een betere glycemieregeling verkrijgen.  

<< Naar boven